ruine van batenburg in de winter

De geschiedenis van Batenburg kort

Batenburg ligt op een strategisch plek aan de Maas en het oude stadje heeft een bewogen geschiedenis. Eeuwenlang was deze ‘heerlijkheid’ het bezit van machtige heren. De ruïne van het eens zo trotse kasteel getuigt van de belangrijke rol die Batenburg heeft gehad.

Batenburg dateert mogelijk al uit de Romeinse tijd. Volgens de overlevering zou een Keltische prins, genaamd Bato, de stad hebben gesticht. Dat de Bataven of de Romeinen al eerder op deze hoogte langs de Maas  woonden is niet onwaarschijnlijk, maar (nog?) niet bewezen. De oude verhalen komen vermoedelijk vooral voort uit het verlangen van de latere kasteelheren om hun woonstede historische status te verlenen. Ze zijn niettemin mooi om aan elkaar door te vertellen. Maar misschien toch ?

De Heren van Batenburg

Uit de 11e eeuw zijn oorkonden bekend, waaruit blijkt dat toen in Batenburg een aanzienlijk riddergeslacht heerste. Deze Heren van Batenburg waren zogenaamde Bannerheren, dat wil zeggen dat zij een hogere status hadden dan andere ridders. Zij hadden hun grondgebied rechtstreeks van de Duitse keizer te leen gekregen en waren daarover praktisch autonoom vorst. Niemand buiten de keizer had iets te vertellen in  hun ‘rijk’. Zij waren dus niet ondergeschikt aan de Hertogen van Gelderland of Brabant, maar eraan gelijk. Ter onderscheid van de andere Heren of ridders voerden zij een banier in plaats van een vaandel, vandaar de term Bannerheer.

munt uit batenburg

munt uit batenburg

De Heer van Batenburg had in zijn gebied het recht van het veer, de molen en de eendenkooi. Tevens bezat hij het visrecht, muntrecht, recht op gruijt (brouwerij), het landrecht en bepaalde rechten om markten te houden. Tenslotte bezat hij het recht om belasting te heffen en een eigen rechtbank te hebben. Eeuwenlang zijn er klachten ingediend en processen gevoerd over de hoge tol- en veergelden in Batenburg. In tijden van oorlog werden met brandschatting, plundering en het vragen van grote losgelden voor gevangenen de inkomsten aangevuld.

De inwoners van het naast het kasteel gegroeide stadje Batenburg waren horigen. Zij hadden de plicht om de Heer ‘om niet’ (dus zonder vergoeding) diensten te verlenen en de jonge mannen werden ook als krijgsvolk ingezet.

De Heren van Batenburg waren bij veel oorlogen betrokken en stierven daarom vaak jong. De laatste mannelijke telg van het geslacht overleed in 1315. Zijn erfdochter Johanna was juist daarvoor getrouwd met de Bannerheer van Bronckhorst. Met dat huwelijk werden twee adellijke families in Gelre voor bijna 350 jaar met elkaar verenigd. Hun nakomelingen staan bekend als de familie van Bronckhorst-Batenburg.

De “Gouden Eeuw” van Batenburg

De Heren van Bronkhorst-Batenburg verwierven vooral in de 15e eeuw een aanzienlijke macht. Zij speelden een belangrijke rol in de strijd tussen Gelre en Habsburg en Gelre en Brabant. De stad Batenburg, die sinds 1389 een aantal stadsrechten had, werd in die tijd omringd door wallen en grachten voorzien van drie stadspoorten. De kerk, die veel groter was dan nu, had een hoge toren en een nieuw  gotisch koor en werd in 1443 zelfs verheven tot kapittelkerk. Er ontstond een stedelijke organisatie met een eigen rechtbank en inkomsten.  In 1459 ontving de stad en het kasteel delegaties van alle Gelderse steden en ridderschap. Weken van onderhandeling leidden uiteindelijk tot de Vrede van Batenburg in de Gelderse successieoorlog tussen zoon Adolf en vader Arnold van Gelre.

Aan deze bloeiperiode kwam al in 1503 een einde. De heerlijkheid werd met geweld veroverd door de Hertog van Gelre en raakte daarbij zwaar beschadigd. De stadswallen en -poorten werden  nooit meer herbouwd. Batenburg werd in 1534 teruggekocht door Herman van Bronkhorst-Batenburg. Deze beschouwde zich nog steeds als leenman van de Duitse keizer. Gelre stelde echter dat Batenburg na de verovering in 1503 tot Gelderland behoorde. Tientallen malen en gedurende honderden jaren (tot 1893) hebben rechtbanken zich over deze kwestie gebogen en even vaak positief als negatief geoordeeld.

De Tachtigjarige Oorlog

Midden 16e eeuw werd Batenburg ook meegesleept in de bloedige twisten tussen katholieken en protestanten tijdens de Reformatie. De vier zonen van Herman van Bronckhorst-Batenburg steunden het nieuwe geloof en wekten daarmee de vijandschap van de Spaanse koning en diens vazal Alva. Vanwege de deelname aan de beeldenstorm van 1566 en aan de gewapende strijd tegen Spanje werden twee daarvan, Dirk en Gijsbrecht, door de inquisitie in Brussel onthoofd samen met de Graven van Egmond en Hoorne. Deze gebeurtenis markeert het begin van de 80-jarige oorlog (1568-1648).

Batenburg werd ingenomen door Alva. Willem, de derde zoon van Herman streed tegen Spanje in dienst van Willem van Oranje en sneuvelde daarbij in 1573, vele schulden achterlatend. Batenburg verwisselde in deze periode door verovering en herovering meerdere malen van eigenaar/bezetter. Rond 1600, in het midden van de 80-jarige oorlog, was de verwoesting zo groot, dat het kasteel en de stad enige tijd zelfs nagenoeg geheel verlaten waren.

Herbloei en neergang

Nadat Herman Diederik van Bronckhorst-Batenburg in 1602 kinderloos was overleden werd door twee neven decennia lang juridisch gevochten om het bezit van Batenburg. Neef Maximilliaan bouwde ondertussen het kasteel weer op. Zijn zoon Frederik Willem was de laatste Heer van Bronckhorst-Batenburg. Toen die in 1659 kinderloos overleed kwam de heerlijkheid, na wederom een erfenisstrijd, via zijn dochter Johanna aan de Graven van Horne. De geweldige schulden werden gesaneerd en er volgde weer een periode van rust en relatieve bloei. Het kasteel zoals wij dat kennen van de vele afbeeldingen is de laatste, 17e eeuwse herbouw door de familie van Horne.

gravure van slot batenburg
De laatste versie van het kasteel van Batenburg volgens een 17e eeuwse gravure .

Toen twee generaties later de graaf van Horne ook geen zonen had en zijn erfdochter Isabella-Justine in 1701 huwde met de Vorst van Bentheim, kwam Batenburg in handen van dit adellijke (Duitse) geslacht. Isabella-Justine bleef echter niet in Batenburg, maar ging in Burgsteinfurt wonen.

Dit betekende een grote achteruitgang voor Batenburg. Het stadje werd daarna van grote afstand bestuurd en de bevolking had nog uitsluitend te maken met vertegenwoordigers van de Heer. Doordat de dienstverlening aan hofhouding wegviel, werd de economische basis aangetast. Langzaam zakte Batenburg weg tot een eenvoudige agrarische gemeenschap. In 1766 werd nog een kleine haven aangelegd om mee te profiteren van de handel langs de Maas. Tijdens de Franse bezetting in 1795 brandde het kasteel af en verviel het tot een ruïne. In die tijd werden ook de heerlijke rechten opgeheven.

Gemeente

In 1818 werd Nederland verdeeld in gemeenten. Batenburg was te klein om zelfstandig te worden, maar de vorst van Bentheim was daar wel voor en pastte het benodigde geld bij. Zo kon hij meer invloed uitoefenen op de gang van zaken. Zijn bewind kwam ten einde in 1945 toen al zijn Batenburgse bezit door de Nederlandse staat werd geconfisqueerd.

Ondanks haar kleine omvang (600 inwoners) realiseerde de gemeente Batenburg in de laatste decennia van haar bestaan nog een aantal zaken, als een dorpshuis, een flink aantal woningen, voetbalvelden, tennisbanen en een nieuwe school. Uiteindelijk werd Batenburg per 1 januari 1984 bij de gemeente Wijchen gevoegd. De gemeente Wijchen voert vanaf die datum het wapen van de Heren van Batenburg.

wapen van Batenburg