ruine van batenburg in de winter

De geschiedenis van Batenburg kort

Batenburg ligt op een strategisch plek aan de Maas en het oude stadje heeft een bewogen geschiedenis. Eeuwenlang was deze ‘heerlijkheid’ het bezit van machtige heren. De ruïne van het eens zo trotse kasteel getuigt van de belangrijke rol die Batenburg heeft gehad.

Volgens de overlevering zou Batenburg zijn gesticht door een Keltische prins, genaamd Bato. De Romeinen zouden de stad later hebben veroverd en er een tempel hebben gebouwd gewijd aan Mars Victor. Het eerste kasteel zou in 327 zijn ontstaan op de fundamenten daarvan. Recent archeologisch onderzoek heeft inderdaad bij de oude kerk een nederzetting uit de pre-Romeinse tijd aangetoond. De verhalen over Bato en de Romeinen blijven vooralsnog onbevestigd. Zij komen vermoedelijk vooral voort uit het verlangen van de latere kasteelheren om hun woonstede historische status te verlenen. Ze zijn niettemin mooi om aan elkaar door te vertellen. De bewezen geschiedenis gaat pas weer eeuwen later verder.

De Heren van Batenburg

Van het middeleeuwse Batenburg is bekend dat er al in de 11e eeuw een aanzienlijk riddergeslacht heerste. Deze Heren van Batenburg waren zogenaamde Bannerheren, dat wil zeggen dat zij een hogere status hadden dan andere ridders. Zij hadden hun grondgebied rechtstreeks van de Duitse keizer te leen gekregen en waren daarover praktisch autonoom vorst. Niemand buiten de keizer had iets te vertellen in  hun ‘rijk’. Zij waren dus niet ondergeschikt aan de Hertogen van Gelderland of Brabant, maar eraan gelijk. Ter onderscheid van de andere Heren of ridders voerden zij een banier in plaats van een vaandel, vandaar de term Bannerheer.

Batenburgse duit

Batenburgse duit

De Heren van Batenburg hadden in hun gebied het recht van het veer, de molen en de eendenkooi. Tevens bezaten zij het visrecht, muntrecht en landrecht. Ook het recht op het brouwen van bier en houden van markten kwam hen toe. Zij  hieven zelf belasting en hadden een eigen rechtbank. Over de daar opgelegde boetes konden ze vrij beschikken. In tijden van oorlog werden de inkomsten nog aangevuld met brandschatting, plundering  en het vragen van grote losgelden voor gevangenen. De inwoners van het naast het kasteel gegroeide stadje Batenburg waren horigen. De jonge mannen werden als krijgsvolk ingezet. Iedereen had de plicht om de Heren op afroep en zonder vergoeding diensten te bewijzen. Tot begin 19e eeuw werd door de Batenburgse Heren van dit recht gebruik gemaakt.

De Heren van Batenburg waren bij veel oorlogen betrokken en stierven daarom vaak jong. De laatste mannelijke telg van het geslacht overleed in 1315. Zijn erfdochter Johanna was getrouwd met de Bannerheer van Bronckhorst. Met dat huwelijk werden twee adellijke families in Gelre voor bijna 350 jaar met elkaar verenigd. Hun nakomelingen staan bekend als de familie Van Bronckhorst-Batenburg.

De “Gouden Eeuw” van Batenburg

De Heren van Bronkhorst-Batenburg verwierven vooral in de 15e eeuw een aanzienlijke macht. Zij speelden een belangrijke rol in de strijd tussen Gelre en Habsburg en Gelre en Brabant. De naast het kasteel gegroeide nederzetting kreeg in de veertiende eeuw stadswallen en –poorten en een aantal stadsrechten. Batenburg beleefde in de daarop volgende eeuw zijn glorietijd. De kerk, die veel groter was dan nu, had een hoge toren en een nieuw  gotisch koor en werd in 1443 zelfs verheven tot kapittelkerk. Er ontstond een stedelijke organisatie met een eigen rechtbank en inkomsten.  In 1459 had Batenburg zoveel allure dat stad en kasteel delegaties van alle Gelderse steden en ridderschap konden ontvangen. Weken van onderhandeling leidden uiteindelijk tot de Vrede van Batenburg in de Gelderse successieoorlog tussen zoon Adolf en vader Arnold van Gelre.

In 1503 kwam deze “Gouden Eeuw” ten einde met de verovering van de stad en heerlijkheid door Gelre die gepaard ging met een grote stadsbrand en de slechting van de versterkingen van de stad en het kasteel. Het kasteel werd daarna herbouwd, maar de stad heeft zijn wallen en poorten nooit meer teruggekregen.

Batenburg werd in 1534 teruggekocht door Herman van Bronkhorst-Batenburg. Die beschouwde zich daarna nog steeds als leenman van de Duitse keizer. Gelre stelde echter dat Batenburg na de verovering in 1503 tot Gelderland behoorde. Tientallen malen en gedurende honderden jaren (tot 1893) hebben rechtbanken zich over deze kwestie gebogen en even vaak positief als negatief geoordeeld.

De Tachtigjarige Oorlog

Dirk van Bronckhorst-Batenburg

Gijsbrecht van Bronckhorst-BatenburgMidden 16e eeuw werd Batenburg ook meegesleept in de bloedige twisten tussen katholieken en protestanten tijdens de Reformatie. De vier zonen van Herman van Bronckhorst-Batenburg (de kleinzoon van de eerder genoemde Herman) steunden het nieuwe geloof en wekten daarmee de vijandschap van de Spaanse koning en diens vazal Alva. Vanwege de deelname aan de beeldenstorm en aan de gewapende strijd tegen Spanje werden in 1568 twee zonen van Herman, Dirk en Gijsbrecht in Brussel onthoofd door de inquisitie, samen met de Graven van Egmond en Hoorne. Deze gebeurtenis markeert het begin van de 80-jarige oorlog (1568-1648).

Batenburg werd ingenomen door Alva. Willem, de derde zoon van Herman streed tegen Spanje aan de zijde van Willem van Oranje en sneuvelde daarbij in 1573, vele schulden achterlatend. Batenburg verwisselde in deze periode door verovering en herovering meerdere malen van eigenaar/bezetter. Rond 1600, in het midden van de 80-jarige oorlog, was de verwoesting zo groot, dat het kasteel en de stad enige tijd zelfs nagenoeg geheel verlaten waren.

Herbloei en neergang

Nadat Willems zoon Herman Diederik in 1602 kinderloos was overleden werd door twee neven decennia lang juridisch gevochten om het bezit van Batenburg. Een van de twee, Maximilliaan, bouwde ondertussen het kasteel weer op.  Zijn zoon Frederik Willem was uiteindelijk de laatste Heer uit het geslacht Van Bronckhorst-Batenburg. Toen die in 1659 kinderloos overleed kwam de heerlijkheid, na weer een erfenisstrijd, via zijn dochter Johanna aan de Graven van Horne. De geweldige schulden werden gesaneerd en er volgde weer een periode van rust en relatieve bloei. Het kasteel zoals wij dat kennen van de vele afbeeldingen is de laatste, 17e eeuwse herbouw door de familie van Horne.

gravure van slot batenburg
De laatste versie van het kasteel van Batenburg volgens een 17e eeuwse gravure .

Toen twee generaties later de graaf van Horne ook geen zonen had en zijn erfdochter Isabella-Justine in 1701 huwde met de Vorst van Bentheim, kwam Batenburg in handen van dit adellijke (Duitse) geslacht. Isabella-Justine bleef echter niet in Batenburg, maar ging in Burgsteinfurt wonen.

Dit betekende een grote achteruitgang voor Batenburg. Het stadje werd daarna van grote afstand bestuurd en de bevolking had nog uitsluitend te maken met vertegenwoordigers van de Heer. Doordat de dienstverlening aan hofhouding wegviel, werd de economische basis aangetast. Langzaam zakte Batenburg weg tot een eenvoudige agrarische gemeenschap. In 1766 werd nog een kleine haven aangelegd om mee te profiteren van de handel langs de Maas. Tijdens de Franse bezetting in 1794 brandde het kasteel af en het verviel daarna tot een ruïne. In die tijd werden ook de heerlijke rechten opgeheven.

Gemeente

In 1818 werd Nederland verdeeld in gemeenten. Batenburg was eigenlijk te klein om zelfstandig te worden. De vorst van Bentheim wilde dat wel en paste het benodigde geld bij. Zo kon hij meer invloed uitoefenen op de gang van zaken. Zijn bewind kwam ten einde in 1945 toen al zijn Batenburgse bezit door de Nederlandse staat werd geconfisqueerd.

Ondanks haar kleine omvang (600 inwoners) realiseerde de gemeente Batenburg na de 2e wereldoorlog een dorpshuis, voetbalvelden, tennisbanen, een nieuwe school en een flink aantal woningen. In 1967 kreeg Batenburg de status van beschermd stadsgezicht. Uiteindelijk werd het voormalig luisterrijke stadje per 1 januari 1984 bij de gemeente Wijchen gevoegd die vanaf die datum het wapen van de oorspronkelijke Heren van Batenburg voert.

wapen van Batenburg

Herzien JK januari 2019.